103. exoskelet, jas, jurk of maatpak

bladgoud?

Architectuurtheoretici maken zich graag druk over het onderscheid tussen baksteen als draagconstructiemateriaal versus baksteen als bekleding. Van exoskelet naar jas of zelfs lichtzinnige jurk. Het zal nog een restant zijn uit de tijd dat het bij gebouwen belangrijk was of iets ‘eerlijke’ expressie was van zichzelf of van iets anders ingewikkelds. Relieken uit een tijd waarin God, Filosofie of Arbeidsverdeling teruggevonden moest worden in alles wat er toe deed. Bij Audi’s of I-phones hoor je er nooit meer iemand over.

Berlage stelde in zijn lezing Bouwkunst en Impressionisme uit 1893 “...van bouwkunst terug te willen naar een eerlijke bouwkunde, waarbij door toepassing van een zuivere constructie aan alle kunstelementen is voldaan.” Waarom baksteen verbergen achter stucwerk of de constructie van een gebouw maskeren? (1) Ten aanzien van de prachtige steenconstructies van zijn tijd had hij gelijk. Maar welke laag in de moderne gevelopbouw verdient het nog om exclusief de ‘huid’ te worden genoemd; de regenkerende bekleding, de waterkerende folie, de isolatie? Berlage wilde af van de functieloze pleisterlaag. Maar in Wenen, waaraan onze grootste gevelstenenfabrikant Wienerberger zijn naam ontleent, wordt baksteen zelden ongepleisterd toegepast omdat het er rap kapot vriest. Die pleisterlaag kon alleen in ons milde zeeklimaat als modieuze opsmuk gezien worden.
Nu beziet men de baksteenschil zelf als een onware voorstelling van een constructie die er niet meer is. Enkel omdat de gevelstenen van het oude huis ernaast nog zelf op de fundering staan en balken dragen. Maar de baksteenfaçade vals noemen, is als een teleurgestelde koning die ontdekt dat het goud waar hij mee omringd wordt flinterdun is. Wacht maar tot je het onbeklede zilverwerk moet poetsen.

maatpak

Misschien is het onderscheid toch belangrijk voor een goed begrip van de zaak. De huidige Nederlandse baksteen houdt immers nauwelijks zichzelf nog overeind, terwijl hij dat meestal wel zou kunnen. Overal aan de gevel steunt de steen op een staalconstructie als een bejaarde op zijn rollator. Het lijkt een historische ontwikkeling dat de zichtbaksteen steeds meer een soort dikke tegel begint te worden. Het maakt verschil of iets uit driedimensionale objecten is opgebouwd, die zich tonen aan de buitenzijde, of dat de buitenzijde slechts beplakt is. Het speciale stapelpatroon schuilt nu eenmaal in het feit dat de kleine tegel van 1x2 en de grote tegel van 1x4 aanzichten zijn van een gelijksoortig element. Binnen die zeer karakteristieke regels van het verbandspatroon hoeft de baksteen niet ‘eerlijk’ te zijn om gebruikt te worden als compositorisch gereedschap. Het patroon en het materiaal sluiten aan bij een historische omgeving en bieden houvast aan de ontwerper die zoekt naar een spel om perfectie aan het oppervlak. Zelfs de steenstrip kan perfect worden toegepast en daarmee als kapstok voor de compositie dienen. Maar met te dunne tegels verliest het patroonspel wel de subtiliteit van de vertanding aan de rand. Als de baksteen geen exoskelet meer is, en zelfs geen dikke jas of dunne jurk, dan kan het nog steeds een maatpak zijn.

In het oude Irak bekleedde de gebakken steen veelal een draagconstructie van ongebakken soortgenoten. Dat vergt een zorgvuldige maatafstemming bij een krimp in de oven tot wel 15%. De Romeinse muur was vaak een ‘verloren bekisting’ voor ingewanden van puin, gravel of beton op basis van kalk en vulkanische as. Bij een echt mooi maatpak - ik spreek uit ervaring - dient de inhoud zich er een beetje naar te voegen. Te dik of te dun wordt in een maatpak nooit echt mooi, hoe hardnekkig je dat ook gelooft.

de dingen omwille van zichzelf

Ik las ooit in een biografie (2) van Ludwig Mies van der Rohe over een discussie tussen zijn oudere broer Ewald en zijn vader, beiden steenhouwers. Ewald, oudere broer van Ludwig, zou bij de vervaardiging van ornamenten gezegd hebben dat ze die versiering hoog aan de gevel wel wat minder gedetailleerd konden uitvoeren. Vanaf de straat was het verschil toch niet te zien. Zijn vader Michael, die meer ambachtsman dan handelaar was, reageerde als gestoken en riep uit: “Zijn jullie dan geen steenhouwers meer?” “Jullie kennen toch de top van de torenspits van Keulen? Je kunt daar niet naar boven klimmen om het goed bekijken. Maar toch het is uitgehouwen alsof je het zo zou kunnen bestuderen. Het werd gemaakt voor God!”

God is in the detail: voor een architect is dat misschien de manier om te zeggen dat het detail het recht heeft omwille van zich zelf te zijn zoals het is. Het legitimeert het werk van de ordenende architect, die gelukkig wordt van de perfectie enkel vanwege zichzelf. (3)

De Mesopotamische ziggurat, waarvan de steenmaat door een god gegeven was, droeg zijn bakstenen perfectie zichtbaar op de huid. James Campbell beschrijft in Brick, A World History (4) dat in het woord baksteen (sig, in het Sumerisch) ook gebruikt werd voor een gebouw of stad en zelfs voor de god van het bouwen. Er werd voedsel en drank geofferd, waarbij de baksteengod werd vertegenwoordigd door de eerste steen. Bij belangrijke gebouwen voerde de koning zelf het ritueel uit, dat bestond uit het vervaardigen van die eerste steen, de asada, wat de ‘onoverwinnelijke’ betekent:
‘[De Koning] gaf een slag op de vormbak; de steen kwam te voorschijn in het licht. Hij bezag geheel tevreden de stempel in de klei, en besmeerde die met cypressenessence en grijze amber. De zon verheugde zich over [zijn] steen, die hij in de vormbak had gedaan, die oprees als een zwellende rivier...’
Op kleitabletten werden belangrijke Mesopotamische gebouwen vooraf tot in detail getekend. De plaats van de afzonderlijke bakstenen is te zien en de afmetingen van het gebouw en zijn bouwdelen worden uitgedrukt in de maat van de steen. De baksteen was de meeteenheid in de bouw.

Maar Holland is een houtland, geen steenland. De baksteen als maateenheid strookt niet met de praktijk van de Nederlandse bouwplaats waar traditioneel niet de metselaar, maar de hoofd-timmerman de maten uitzet. Die maatvoering speelt zich binnen af, onzichtbaar in de ‘building envelope’: hoofddraagconstructie, deurposten en stelkozijnen. De baksteen als perfecte compositie beperkte zich in het zeventiende-eeuwse Holland meestal tot de voorname gevel aan de gracht. Deze gevel stond feitelijk tamelijk los van de hoofddraagconstructie en steunde veelal op een open houten winkelpui. Dak en vloeren werden gedragen door de, vaak met buren gedeelde, onzichtbare zijmuren tussen de panden. De perfecte baksteencompositie van de façade aan de gracht werd mogelijk gemaakt door de geringe rol die deze muur speelde in de draagconstructie. Het gevelvlak werd een te beschrijven blad; te vullen met vensters en sierpatronen. Niet te opzichtig, maar opgebouwd uit het oude weefsel in perfectie toegepast. Pleinen en straten; in de oude Hollandse binnenstad vormen die gevels samen het behang van de kamers en gangen van de stad. Enkel Kerk en Staat onderscheidden zich met alzijdige gebouwen.

het gebouw als object of het interieur van de stad?

Het sluitende maatpak, waarbij alle openingen zich voegen naar de patroonranden en andersom blijft voor sommige architecten - waaronder ik - een dwingend verlangen. Het is een maniëristisch trekje: iets volledig binnen zijn eigen spel willen vatten om het los te maken van de kleine problemen van alledag. Architecten maken graag briljanten. Maar briljanten zijn weinig flexibel of uitbreidbaar. Daarom maakt men gebouwen met een kop en een staart. Als front voor de smalle lange kavels van de Hollandse stad toont het woonhuis publiekelijk zijn beste gezicht.

Moderne praal staat langs de snelweg. De kop moet prachtig, die staart mag zo lang en slap als men zelf wil. Het levert Chinese draken van gebouwen op die als micellen hun kop naar de vette snelweg keren en hun hydrofiele staart in het ongerepte landschap steken; een soort vrachtauto’s naast de file. Anders dan de straat langs de gracht is de snelweg geen verblijfsgebied. Zoals hedendaagse architecten al hebben gesteld: wij brengen onze tijd door met 130 km/u in een gebied waar we vooral niet wilen verblijven. De indruk blijft altijd vluchtig. Te midden van alle banners heeft de trage steen geen macht.

Maar ook in de oude stad moest men eerlijke objecten plaatsen. De moderne architect hield niet van losse façades waarachter zich onheilspellende geheimen kunnen verschuilen. Een nobel streven. Maar waar plattegrond en doorsnede zich kunnen meten met het schema in het scheppen van helder inzicht in functie en gebruik, daar wordt de gevel snel een pose. (5) De beste gevel zou eigenlijk géén gevel zijn. Maar zelfs de meest transparante glasgevel toont voornamelijk reflectie en anders vooral plafond aan de kijkers op straat.

Door het gebouw los te snijden van zijn omgeving lijkt het vrij en van alle kanten benaderbaar. Maar dat primaat van de overzichtelijke beschouwing maakt de stad zelf tot restruimte. Meestal verschijnt er aan de straat een hek of muur. Wie ook buiten beschutting wil, heeft meer aan een openbare stad waar de straten groeien en waar pleinen als huiskamers in het stedelijk weefsel nestelen. De gevel is dan de binnenmuur van het publieke domein. Wanneer je de gebouwgevel niet zozeer als driedimensionale omsluiting van een object beschouwt, maar als een vlak met een reliëfzijde aan de straat, maakt het dan nog uit of je met het patroon van het eerste, tweede of derde laagje huid te maken hebt? Ook de bekledingsgevel gaat grenzend aan de straat de hoek om. Daar op die rand, verspringend met raamgaten, deuropeningen, loggia’s en erkers dient de patroonwerking van de steen zich aan. Als de muur aan de binnenzijde wit wordt afgesmeerd, dan is de buitenzijde hoe dan ook voor wie buiten is. Ik huldig het primaat van stede(n)bouw over architectuur. Het maakt voor de straat weinig uit hoe de gebouwschil zich verbindt met de draagconstructie. Voor mij geen navelpiercing, maar liever een snakeskin jacket as symbol of my individuality and believe in personal freedom (6). In de stad tref ik liever lieden die goed gekleed gaan.



_________

(1) Brentjens, Yvonne & Eliëns, Titus M., 2010, H.P. Berlage, Waanders Zwolle, Gemeentemuseum Den Haag, ISBN 978 90 400 7719 7
(2) Franz Schulze, 1985, Mies van der Rohe, a critical biography 
(3) Een interessante invalshoek voor “God”. Het legitimeert de ontwerper zichzelf - het subject - te verliezen bij de beschouwing. En natuurlijk om dingen te doen omwille van de dingen zelf en hun eigen regels en niet enkel vanwege de manna of de fame. Daar worden echte makers gelukkig van.
(4) James Campbell. Brickwork, A World History in Nederlandse vertaling: Baksteen
 Er wordt verwezen naar: D.O. Edzard, 1989, Deep-Rooted Skyscrapers and Bricks: Ancient Mesopotomian Architecture and Its Imagery (in Figurative Language in the Ancient Near East)
(5) Meuwissen, Joost, 1991, OASE 31 De Tectoniek van de Opstand, SUN Nijmegen, ISSN 01 69 - 6238 - omslag
(6) Sailor Ripley in Wild at Heart van David Lynch 1990

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen